snorhaar

/ˈsnɔrhar/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. hard, stijf en dun uitgroeisel van de opperhuid om mee te tasten bij vele zoogdieren in de omgeving van de mond
  2. anatomie (anatomie) dun uitgroeisel van de opperhuid op de bovenlip

Vertalingen

Spaansbigotito, vibrisas