snorhaar
/ˈsnɔrhar/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- hard, stijf en dun uitgroeisel van de opperhuid om mee te tasten bij vele zoogdieren in de omgeving van de mond
- (anatomie) dun uitgroeisel van de opperhuid op de bovenlip
Vertalingen
Spaansbigotito, vibrisas
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek