snor

mannelijk/vrouwelijk (de)/snɔr/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. beharing tussen neus en bovenlip
    Hij leek een permanente glimlach te hebben onder zijn borstelige snor en was hier in de wildernis duidelijk in zijn element.
    We zeiden niet veel, wat hadden twee negenjarigen kunnen zeggen? We zaten er met gebogen hoofd en dachten aan hem, zagen hem voor ons, vooral zijn blik en zijn snor.
  2. zangvogels (zangvogels) vogel () die tot de rietzangers behoort en een snorrend geluid voortbrengt
  3. speelgoed dat een brommend geluid voortbrengt
  4. lichte dronkenschap
  5. verkeer (verkeer) wagen voor ongeregeld passagiersvervoer

Etymologie

*[2],[3],[4] (nomact) "snorren"

Vertalingen

Engelsmoustache, mustache, Savi's warbler
Fransmoustache, locustelle luscinioïde
DuitsSchnurrbart, Schnauzbart, Rohrschwirl
Spaansbigote, mostacho
Russischусы, соловьиный сверчок
Zweedsvassångare