snoekduik
mannelijk (de)
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- sprong (in het water) waarbij men met het gezicht naar beneden houdt en het lichaam min of meer horizontaal gericht isIn de schemerige kamer waren de stoelen om de tafel vaag zichtbaar, vier eenzame stoelen; opeens bedacht ik dat ik haar een plaats moest aanbieden, dat hoorde nu eenmaal zo, maar behalve die stoelen, waar ze overigens nooit op had gezeten, stonden er talrijke middagen tussen ons, waarop ze lachend en snaterend was komen binnenstormen en praktisch vanaf de deur een snoekduik had genomen om ruggelings of op haar buik op mijn bed neer te ploffen.De Gios moet de snoekduik hebben zien aankomen.
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek