smis

mannelijk/vrouwelijk (de)/smɪs/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. werkplaats van een smid
    De geliefkoosde droom van den smid zal niet verwezentlijkt worden: Everaart zal geen smid zijn! Alles, wat hij in zijne werkplaats zoo liefheeft, zal in de handen eens vreemdelings overgaan; misschien zal de smis, na Vanderlaen's dood, voor altijd gesloten worden! De Standaard (1884)–Reimond Stijns, Isidoor Teirlinck [https://www.dbnl.org/tekst/stij007armv01_01/stij007armv01_01_0003.php Arm Vlaanderen]
    Ik ben de zwarte smeder,Ik hamer bij den gloed;De smis is vuil en spokig,Mijn tronie zwart als roet.Doch zijn gezicht en handen zwart,Mijn geest is hel, en rein is 't hart! Versjes en liedjes voor 't jonge volkje (ca. 1925) – Hendrik van Tichelen [https://www.dbnl.org/tekst/tich001vers01_01/tich001vers01_01_0058.php Liedje van den Smid.]

Etymologie

* (verkorting) van "smisse"