sluiting

vrouwelijk (de)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. het sluiten
    De gemeenteraad discussieerde over de sluiting van het zwembad.
    Aan de sluiting van verzorgingshuizen worden twaalf regels besteed, maar daarin wordt het verdwijnen van deze voorziening uitsluitend beschreven als een (kwantitatief) verlies van woonplekken. Terwijl de formule van deze woon-zorgvoorziening juist uniek was: geen scheiding van wonen en zorg, maar juist integratie daarvan.
  2. middel om meerdere objecten, losse delen of uiteindes samen te sluiten
    Het kettinkje werd met een kleine sluiting vastgemaakt.

Etymologie

* van sluiten

Vertalingen

Engelsclosure, shutting, ferrule
Spaanscierre