Sluis

mannelijk/vrouwelijk (de)/slœys/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. scheepvaart, waterbeheer (scheepvaart) (waterbeheer) een kunstwerk om water te keren en mogelijk ook om schepen door te laten, op een plaats tussen twee waters met een verschillend waterpeil.
  2. een afgesloten ruimte met aan twee zijden een deur, waarvan er tegelijkertijd slechts één open kan.

Etymologie

* Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘waterkering’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1139

Vertalingen

Engelslock
Fransécluse
DuitsSchleuse
Spaansesclusa
Italiaanschiusa
Portugeeseclusa
Poolsśluza
Zweedssluss
Deenssluse