sluipgang

mannelijk (de)/ˈslœypxɑŋ/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een stille, verborgen manier van voortbewegen
    Een diplomaat beschreef de opmars van de rebellen, die zichzelf de Force Nouvelle (FN) noemen, als een „langzame sluipgang.” De speciale gezant van de Verenigde Naties voor Ivoorkust bevestigde op een persconferentie dat de rebellen een steeds groter gebied in handen krijgen. Reformatorisch Dagblad 15-03-2011 [https://www.rd.nl/vandaag/buitenland/rebellen-ivoorkust-vallen-wijk-abidjan-aan-1.600744 Rebellen Ivoorkust vallen wijk Abidjan aan]
    Eén keer slechts heb ik een laffe poes gezien. Die was een vette duif aan het besluipen en was zichtbaar blij over hoe stoer dit over moest komen op eventuele toeschouwers. Maar hoe dichterbij hij kwam, hoe duidelijker het werd dat de duif eigenlijk even groot was als de poes. De sluipgang werd steeds langzamer, waarna de poes omkeerde en met de staart tussen de benen afdroop, onderwijl om zich heen kijkend. Waarschijnlijk met het schaamrood op de kaken, maar dat kon je niet zien omdat er een vachtje overheen zat. NRC Paulien Cornelisse 26 november 2009 [https://www.nrc.nl/nieuws/2009/11/25/laf-a1491142 Laf]
    In onopvallende sluipgang is wit vrijwel gewonnen komen te staan. Zijn stukken domineren en zwart heeft zwakke pionnen op a6, f7 en h5. Zijn stelling is nauwelijks verdedigbaar. NRC Hans Ree 26 januari 2013 [https://www.nrc.nl/nieuws/2013/01/26/magnus-de-onstuitbare-1198521-a1240359 Magnus de onstuitbare]