sluipen
/ˈslœypə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (erga) zeer voorzichtig lopen, op zo'n manier dat ontdekking vermeden kan wordenHij sloop de trap op in de hoop dat zijn ouders niet zouden merken dat hij te laat thuis kwam.Ik had me iets anders voorgesteld bij mijn eerste beer, namelijk dat er een recht voor me op het pad zou lopen of dat er een ’s avonds om mijn tent zou sluipen op zoek naar eten, zoals enkele van mijn vrienden al was overkomen.Het beste was wanneer je je kleren vroeg bij elkaar kon rapen en gewoon weg kon sluipen zonder afscheid te nemen.
Etymologie
* In de betekenis van ‘zich onopgemerkt voortbewegen’ voor het eerst aangetroffen in 1285
Vertalingen
Engelssneak
Fransse glisser
Duitsschleichen
Spaansdeslizarse
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek