sluimeren

/ˈslœymərə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. intr (intr) dommelen
  2. intr (intr) inactief verborgen aanwezig zijn
    Aan de overkant van de gracht sluimerden de ommuurde tuinen van Papadopoli, waar gemaskerde gasten van geheime feesten bij het vuur van fakkels als schimmen verschenen, gehuld in de zwarte mantel van de nacht.

Etymologie

*afgeleid van sluimer

Vertalingen

Engelsdoze, nap, slumber
Spaansechar la siesta