sloop

/slop/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. (f)/(m) of (n): een stoffen omslag om een kussen
    Ik zal even een sloopje om dat kussen doen.
  2. (m): de daad van het slopen, afbreken
    Dat schip is rijp voor de sloop.

Etymologie

* In de betekenis van ‘kussenovertrek’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1444

Vertalingen

Engelspillowcase, demolition
DuitsKissenbezug, Abbruch, Abriss