sloof

vrouwelijk (de)/slof/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. vrouw die hard werkt, zwoegster, ploeteraarster
    Assepoester was de sloof van al haar pleegzusjes.
  2. (n) voorschot
  3. Horizontale funderingsplaat van gewapend beton aangebracht op de koppen van de ingeheide palen Op deze plaat wordt de dragende zuil(steunpunt)voor de fly-overs gebouwd

Etymologie

* In de betekenis van ‘voorschoot met korte mouwen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1481