slippen

/slɪpə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. erga (erga) wegglijden
    Het ijsblokje slipte uit zijn hand.
  2. erga (erga) door gladheid over de weg schuiven
    De auto slipte over de weg.

Etymologie

* In de betekenis van ‘wegglijden’ voor het eerst aangetroffen in 1588

Vertalingen

Engelsslip, skid
Fransdéraper, glisser
Duitsschlittern, rutschen, schleudern
Spaansderrapar, patinar