slaap

mannelijk (de)/slap/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. periode van inactiviteit waarbij het lichaam tot rust komt
    Jan snurkt in zijn slaap.
    Om vier uur 's ochtends viel Olive in slaap naast het schilderij.
  2. behoefte aan slaap
    Ik heb zo'n slaap.
    Voordat ik weer in slaap viel kreeg ik de gedachte aan zeven verschrompelde lijken in gesmolten slaapzakken niet uit mijn hoofd.
    's Ochtends was hij wakker geworden op de sprei van een van de bedden, met naast hem een vrouw - ze heette Laetitia - die nog diep in slaap was.
  3. anatomie (anatomie) zijvlak van het hoofd tussen oog en oor
    De loop van het pistool raakte zijn slaap.
  4. tot korstjes opdrogende afscheiding aan de oogleden
    Wanneer ik wakker word heb ik steeds slaap in mijn ogen.

Etymologie

*Van de stam van het werkwoord slapen

Uitdrukkingen

  • iemand uit de slaap houden
  • iemand wakker houden
  • in slaap vallen
  • inslapen
  • omvallen van de slaap
  • zeer slaperig zijn
  • slaap hebben
  • de neiging hebben tot slapen

Vertalingen

Engelssleep, temple
Franssommeil, tempe
DuitsSchlaf, Schläfe
Spaanssueño, sien
Italiaanssonno, tempia
Portugeessono, fontes, têmpora
Russischсон, висок
Japans蟀谷
Turksuyku, şakak
Poolssen, skroń
Zweedssömn, tinning
Deenssøvn