sier

mannelijk/vrouwelijk (de)/sir/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. rijkelijk eten en drinken zoals een gast die van een goede gastheer krijgt
  2. iets wat als verfraaiing van het uiterlijk dient

Etymologie

*[2],[3] van Middelnederlands "siere" "pracht, opschik", cognaat met "Zier"; op te vatten als sieren

Uitdrukkingen

  • goede sier maken1. uitgebreid genieten van prettige dingen die je eigenlijk niet toekomen