schuur

mannelijk/vrouwelijk (de)/sxyr/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. bouwkunde (bouwkunde) een bijgebouw bij het huis of de boerderij om veldvruchten, landbouwproducten en -werktuigen in op te slaan
    Zet die fiets eens in de schuur.
    Het vergeefse geblaf van een hond in een schuur zou alle stiltes doorbreken.
    Waarom heb ik me niet omgedraaid toen het gevloek ophield? Ik had moeten checken of alles nog wel goed met haar was! Heb ik iets gemist? Een roep om hulp misschien? Ik was degene die daarboven in de schuur de boel gek maakte en kandidaten wierf voor die riskante afdaling.

Etymologie

* (erfwoord): Middelnederlands scūre, uit Oudnederlands skūra, ontwikkeld uit Oergermaans *skūr(j)ō-, bij Indo-Europees *skuH-ro-, uitbreiding van de wortel *(s)keuH- ‘bedekken, omhullen’. Evenals Nederduits Schüür, Duits Scheuer en Fries skuorre.

Uitdrukkingen

  • Om één slechte oogst brandt de boer zijn schuur niet afEén enkele tegenslag gaat wel voorbij

Vertalingen

Engelsbarn
Fransgrange
DuitsScheune
Spaansgranero
Italiaansgranaio
Russischсарай, амбар
Poolsstodoła