loods
mannelijk (de)/lots/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- gebouw voor opslag van goederen
- (beroep) (scheepvaart) iemand die schepen als stuurman begeleidt bij het varen van en naar een bepaalde haven
Etymologie
*[2] (verkorting) van "loodsman", in de betekenis van ‘stuurman’ aangetroffen vanaf 1677
Vertalingen
Engelsshed, hangar, pilot
Fransbaraque
DuitsSchuppen, Lager, Lotse
Spaanscobertizo, tinglado, práctico
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek