schutter

mannelijk (de)/ˈsxʏtər/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. iemand die een schiettuig bedient
    Er klonk een schot, maar waar de schutter zich bevond was niet duidelijk.
  2. sport (sport) iemand die de bal tracht in het doel te doen belanden, veelal van enige afstand
    Hij stond bekend als een uitstekend schutter.

Etymologie

*afgeleid met nultrap en umlaut bij de wortel van het werkwoord schieten , oorspronkelijk afkomstig van schuttre (iemand die met pijl en boog schiet), in de betekenis van ‘persoon die schiet’ aangetroffen vanaf 1240