schuren
/sxyrə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (ov) een oppervlak glad maken door wrijving met een ruw oppervlak van grotere hardheidVoor je de tweede laag erop brengt moet je het eerst schuren.
- (ov) poetsen, wrijven
- (informeel) (seksualiteit) met de geslachtsdelen tegen iets of iemand aanwrijven
- (informeel) (intr) op een intieme manier, heel dicht met elkaar dansen
- (figuurlijk) (onpr) spanning, wanklank of disharmonie veroorzaken
Etymologie
*Ontwikkeld uit Middelnederlands "scuren" “drukkend wrijven”, “poetsen”, “polijsten” (1287), ontleend aan Oudfrans "escurer" “geheel reinigen”, “schoonkrabben” (ca. 1223).
Vertalingen
Engelssand, scour
Franspolir, poncer
Duitsschaben, scheuern, schmirgeln
Spaansestregar, lijar, acepillar
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek