schrompelen

/ˈsxrɔmpələ(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. erga (erga) rimpelig worden door verlies aan inhoud
    De ballon was helemaal geschrompeld van de extreme koude.
    Wel, dat is dan ook het enige wat er op zit, zei hij: krimpen, schrompelen, krimpen & schrompelen.

Etymologie

*van Middelnederlands """, op te vatten als "schrimpen" of "schrompen"