schraag

mannelijk/vrouwelijk (de)/sxraːx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. draagconstructie om een vlak, planken of andere langwerpige voorwerpen te ondersteunen
    Hij zette onvervaard zijn rug onder een tamelijk wichtig rijtuig, tilde het van de pin, tot de baas er de schraag onder plaatste en Tinus het losse voorstel wegreed.
  2. bestaande uit een draagbalk die aan beide uiteinden rust op een paar poten dat schuin met elkaar verbonden een driehoek vormt
  3. bestaande uit een draagbalk die aan beide uiteinden rust op een poot met een voet of een vaste verbinding met de bodem
  4. tafel of werkblad met een draagconstructie als onder 1.
    Op een eenvoudige houten schraag staan brood, worst en wijn.
  5. vast onderstel van sommige werktuigen
    De glazen bol rustte op een sterke houten schraag (…), waarin een gat was uitgespaard.
  6. draagbaar
    Ik kijk naar Bengjéh, op de schraag met de kaarsen, en bij het licht ervan zie ik dat zijn wonden opgedroogd zijn (…)
  7. figuurlijk (figuurlijk) vaste ondersteuning
    Een verenigd Europa als schraag voor de vrijheid die in 1945 zo zwaar werd bevochten.

Etymologie

*van Middelnederlands "schrage"[http://dbnl.nl/tekst/_tij003194901_01/_tij003194901_01_0011.php?q=schraag "Klanknabootsing als taalvormend element (V) Over enige semantische parallellen" in Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. jrg. 66 nr. 2 (1949) E.J. Brill, Leiden]; p.129; geraadpleegd 2015-12-20