schroeven

/ˈsxruvə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) vastdraaien van een of meer bouten, met behulp van een schroefdraad vastzetten
    Spijkeren of schroeven, het kan allebei. Dit ontwerp kan bijna niet misgaan.
    Horecapersoneel was druk doende om stapels hout in elkaar te schroeven tot picknicktafels.

Etymologie

*: "schroef" met de uitgang -en

Uitdrukkingen

  • op losse schroeven zetten
  • op losse schroeven staan