schrik

mannelijk (de)/sxrɪk/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. hevige plotselinge angst, bijvoorbeeld als gevolg van een onverwachte verandering of gevaarlijke situatie
    Zo kwam ik een keer na een lange dag aan bij een op de kaart gemarkeerde waterbron om tot mijn schrik te ontdekken dat hij helemaal was opgedroogd.
    Zijn ogen waren wijd open van schrik.

Etymologie

*, gesubstantiveerde werkwoordsstam van schrikken

Uitdrukkingen

  • De schrik slaat [me/je, ...] om het hartDat is om erg van te schrikken
  • Met de schrik vrijkomenBij een ongeval niet lichamelijk gewond raken, maar wel erg schrikken

Vertalingen

Engelsfright, terror
Spaanssusto, terror
Italiaanspaventi