schrank

mannelijk/vrouwelijk (de)/sxrɑŋk/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. schraag, slagboom
    Schrank, V. Schraag, slagboom. (1995)–J.H. van Dale [https://www.dbnl.org/tekst/dale003taal01_01/dale003taal01_01_0022.php Taalkundig handboekje]
  2. 6 leggen vlas
    Bij het trekken van het vlas, dat met beide handen gelijk geschiedt, vormen twee handvollen een leg, zes zulke leggen worden tot eene schrank samengebonden, en tien zulke schranken in een stuik geplaatst. (1995)–J.H. van Dale [https://www.dbnl.org/tekst/dale003taal01_01/dale003taal01_01_0022.php Taalkundig handboekje]

Etymologie

* uit het Duits

Vertalingen

Engelssawhorse