schotel

mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈsxotəl/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. huishouden (huishouden) platte ronde schaal met opstaande rand
    Hij legde de gebraden kip op een schotel.
  2. voeding (voeding) een gerecht
    Onze specialiteit is een schotel van waterkonijn in een mosterdsabayon op rijst.
  3. (meestal verkleinwoord) een schaaltje onder een kopje
    Leg het lepeltje maar op het schoteltje van het koffiekopje.
  4. communicatie (communicatie) een antenne voor televisieontvangst
    De buren hebben een schotel om buitenlandse zenders te ontvangen.
  5. een vliegende schotel: een omstreden discusvormig object dat door de lucht zweeft, ufo
    De man beweerde gisternacht een vliegende schotel te hebben gezien.

Etymologie

* Leenwoord uit het middeleeuws Latijn "scutella" (klassiek "scutulum"), in de betekenis van ‘schaal’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1240

Vertalingen

Engelsdish, dish, saucer
Fransassiette, repas, soucoupe
DuitsTeller, Gericht, Teller