schorten
/ˈsxɔrtə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (onpr) ~ aan: tekortkomen, ontbrekenEr heeft van alles aan geschort.
- (ov) omhoog trekken, korter maken{{ouds|1935/46
Etymologie
*[1] van Middelnederlands "scorten", in de betekenis van ‘ontbreken’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1429
Vertalingen
Fransmanquer
Duitsmangeln, hapern, fehlen
Deensknibe
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek