schoonheid

vrouwelijk (de)/ˈsxoːn·hɛɪt/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. de hoedanigheid prachtig en aantrekkelijk te zijn
    Ik begon de schoonheid om mij heen weer te zien en de prachtige uitzichten te waarderen en bijna als vanouds sprong ik in elk meertje dat ik tegenkwam.
    Hier zie ik een godvruchtig oog voor de schoonheid van basisbenodigdheden.
    Je kunt geloven dat er sprake was van schoonheid en moed, ervan overtuigd zijn dat je ooit zo was, maar je kunt het nooit zeker weten.
  2. iemand (in het bijzonder een vrouw) die schoonheid bezit
    Deze vos is volgzaam maar sterk, een schoonheid.
    Saskia Mulder, een struise blonde die door onze wat oudere medewerkers ongetwijfeld wordt gezien als een volkse schoonheid, werkte al.

Etymologie

*Afgeleid van schoon .

Vertalingen

Engelsbeauty
Fransbeauté
DuitsSchönheit, Schönheit
Spaansbelleza, hermosura
Italiaansbellezza
Portugeesbeleza
Russischкрасота
Japans美しい, 美
Arabischجمال, طلاوة
Turksgüzellik
Poolspiękno
Zweedsskönhet
Deensskønhed