schommelen

/ˈsxɔmələ(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. inerg (inerg) op een schommel heen en weer bewegen
    De hele dag schommelt Jantje tot hij ervan duizelt.
  2. inerg (inerg) op en neer bewegen
    Door de nieuwe golf van aanslagen ging de olieprijs weer aan het schommelen.

Etymologie

*Afgeleid van schommel

Vertalingen

Engelsswing
Fransbalancer
Duitsschaukeln, schwingen
Spaansbalancear
Russischкачаться