schol

mannelijk (de)/sxɔl/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. straalvinnigen (straalvinnigen) bepaald soort platvis,
    Bij biologie leer je wat een schol is.
    Het familierecord in het schoonmaken en fileren van een bot of schol zodat hij klaar was voor de koekenpan was veertien seconden.
  2. voeding (voeding) spierweefsel van de zeer gewilde consumptievis
zelfstandig naamwoord
  1. drijvende plaat ijs
    In de film kon de ijsbeer nog net op een schol springen.
tussenwerpsel
  1. informeel (informeel) op je gezondheid! (heilwens uitgesproken bij het samen nuttigen van sterke drank)

Etymologie

*[B] Belgisch-Nederlands, vermoedelijk van "skål" "proost"

Vertalingen

Engelsplaice
Franscarrelet, plie
DuitsScholle
Spaansplatija, solla
Italiaanspassera di mare