pladijs

mannelijk (de)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een ruitvormige platvis die geschikt is voor menselijke consumptie
    Ter voorbereiding ging Coulier een tiental keer mee uit vissen. ‘Beenhard is dat: rond 6 uur ’s avonds uitvaren, om de volgende ochtend terug te keren met de vangst aan de vismijn. Ik hielp met gutten: de ingewanden snijden uit de vissen – voornamelijk pladijs, tong en wijting.’ de Standaard ZATERDAG 9 SEPTEMBER 2017
    Hoog tijd voor een ronde door Vlaanderen langs de pleisterplaatsen van de nieuwe Belgische keuken. Een reis in drie lunches en twee diners die begint in het stadse Gent, loopt via het West-Vlaamse heuvelland naar Leuven, de hoofdstad van Vlaams-Brabant, om met een tussenstop in de moderne havenstad Antwerpen te eindigen in het middeleeuwse Brugge. De reis die is belegd met buikspek, aardpeer, zuring, pladijs (schol) en witloof, want de jongste lichting Belgische koks haalt zijn inspiratie van dichtbij. Volkskrant Mac van Dinther 13 maart 2010

Etymologie

* schol

Vertalingen

EngelsEuropean plaice
Fransplie