schok
mannelijk (de)/sxɔk/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- een plotsklapse en hevige bewegingDeze schok werd veroorzaakt door het verschuiven van twee tektonische platen.
- een gebeurtenis die iemand hevig van de wijs brengtHaar dood was een schok voor velen.De aanraking kwam als een schok voor Teresa.Het is een schok om dit braakspoor, deze schending, te zien.
- een blootstelling aan een elektrische potentiaalPas op, krijg geen schok van dat losse contact!
- zestigtal
- twintigtal
Etymologie
* In de betekenis van ‘telwoord:’ voor het eerst aangetroffen in 60
Vertalingen
DuitsErdstoß, Stoß, Schock
Spaanschoque, impacto, conmoción
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek