schipper

mannelijk (de)/ˈsxɪpər/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. beroep, scheepvaart (beroep) (scheepvaart) iemand die de verantwoordelijkheid heeft voor de besturing van een schip
    Het water is zo glad en de schipper is zo vakkundig dat het lijkt of de huizen bewegen in plaats van de sloep.
    We varen gelijk op door het land, ik weet wat de schipper denkt: de weg is bestendig daadloos, nochtans blijft niets ongedaan.

Etymologie

*afgeleid van schip

Vertalingen

Engelscaptain, sailor
Spaanscapitán, barquero