schikken

Betekenis

werkwoord
  1. onpr (onpr) goed uitkomen
    Schikt het je dat we de afspraak naar morgen verschuiven?
  2. ov (ov) aantrekkelijk arrangeren
    De bloemen waren prachtig geschikt.
  3. refl (refl) zich ~ naar een bepaald bewind aanvaarden en zich ernaar aanpassen
    Hij schikte zich maar naar haar nukken, omdat het anders weer flink bonje was.

Etymologie

* In de betekenis van ‘regelen, ordenen’ voor het eerst aangetroffen in 1357

Vertalingen

Engelssuit
Fransconvenir, arranger, soumettre
Spaansconvenir, acomodar