schijnwerper

mannelijk (de)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een sterke lamp voorzien van een lenzenstelsel dat een krachtige lichtbundel uitzendt
    Er stonden twee schijnwerpers op hem gericht.

Etymologie

* Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘zoeklicht’ voor het eerst aangetroffen in 1937

Uitdrukkingen

  • in de schijnwerper staanonderwerp van grote attentie zijn