schijnen

/ˈsxɛinə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. copl (copl) zich voordoen, vaak op bedrieglijke wijze
    Dat schijnt erg voordelig, maar er zijn veel verborgen kosten aan verbonden.
  2. in constructie met te + onbepaalde wijs: naar verluidt
    Zij schijnen daar te werken.
  3. absol (absol) straling uitzenden
    De zon schijnt 's middags in de achterkamer.
    Ik zag twee felle zaklampen op een aantal tenten schijnen waar de laatste uren flink wat lawaai vandaan was gekomen.
    Ik ritste mijn tent weer open en scheen met mijn hoofdlamp onder mijn tentzeil.

Etymologie

* In de betekenis van ‘stralen’ voor het eerst aangetroffen in 1100

Vertalingen

Duitserscheinen, scheinen, scheinen