schenken

/'sxɛŋ.kə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ditr (ditr) overdragen van bezit aan iemand anders (zonder tegenprestatie)
    Zij schonken hem een stuk land.
    Hem werd een stuk land geschonken.
    Hij kreeg een stuk land geschonken.
  2. ov (ov) in een ander vat laten vloeien, overgieten
    De wijn werd in de glazen geschonken.

Etymologie

* In de betekenis van ‘gieten’ voor het eerst aangetroffen in 1100

Vertalingen

Engelsgive, donate, pour
Fransoffrir, verser
Duitsschenken, einschenken
Spaansregalar, donar, echar
Italiaansdare
Portugeesdar
Russischдавать, дать
Koreaans주다
Turksvermek
Zweedsge