cadeau

onzijdig (het)/kaˈdo/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. iets dat men aan iemand geeft zonder tegenprestatie, meestal ter gelegenheid van een feestelijke gebeurtenis
    De cadeaus lagen onder de kerstboom.
    Zwart was hij door het roet van de hel. En natuurlijk moest hij zich door de schoorsteen ( de oudste offerplaats èn de verbinding van de geestenwereld met die der mensen ) laten zakken, om de cadeautjes bij de kinderschoenen te leggen.
    Ik feliciteerde haar keer op keer en vertelde haar hoeveel ik van haar hield. Ze vroeg hoe het met mij was, en begon me net te vertellen wat voor cadeaus ze had gekregen toen de lijn definitief wegviel.

Etymologie

*van "cadeau"

Uitdrukkingen

  • cadeau doen
  • : "kado"
  • : "kado"

Vertalingen

Engelspresent, gift
Franscadeau
DuitsGeschenk, schenken
Spaansregalo
Italiaansregalo
Russischподарок
Turkshediye
Poolsprezent
Zweedspresent, gåva