schelheid

vrouwelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. met grote felheid, scherpheid en te weinig nuance
    De synodescriba constateerde dat Hofmans bundel nieuw zicht biedt op wat onze protestantse voorouders bezighield. „Hoe ze hun verdriet, hun angst, hun boosheid, maar vooral ook hun geloof in de Christus, hun liefde voor Hem en voor Zijn Woord en hun hoop voor de kerk hebben uitgezongen. Dat is ontroerend bij alle hardheid en schelheid die soms ook uit hun liederen klonk.” Reformatorisch Dagblad Rudy Ligtenberg 01-11-2006 [https://www.rd.nl/kerk-religie/eerbetoon-aan-eerste-protestanten-1.1272134 Eerbetoon aan eerste protestanten]
    Ter Braak schreef ‘Het zijn de formules van de haat, de stembuigingen van de nijd, de schelheid van de laster, waarop men de welwillenden steeds weer attent moet maken.’ Aan het einde van zijn aanklacht, volgt daarom een oproep die ‘vervalsingen te ontmaskeren en bulderende frasen in ‘gewone’ woorden te herhalen’. NRC Margot Poll 21 februari 2019 [https://www.nrc.nl/nieuws/2019/02/21/nepnieuws-uit-de-dertiger-jaren-en-reizen-als-een-hippie-a3654906 Nepnieuws uit de jaren dertig en reizen als een hippie]

Etymologie

*afleiding van schel

Vertalingen

Engelssharpness, stridency