schare

mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈsχarə/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. aantal of afdeling gezamenlijk optrekkende of strijdende personen
    Er stond een schare supporters voor de deur.
  2. religie (religie) verzameling van mensen die ergens tegenwoordig zijn, in het bijzonder bij een godsdienstoefening

Etymologie

*(erfwoord): Middelnederlands scāre ‘afdeling soldaten, troep, schaar’, uit Oudnederlands skara ‘legereenheid, groep’, ontwikkeld uit Oergermaans *skarō- ‘afdeling van een leger’, afleiding van het werkwoord *skeran- ‘scheiden, verdelen’, waarvoor zie scheren. Evenals Duits Schar en Fries skare.