schare
mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈsχarə/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- aantal of afdeling gezamenlijk optrekkende of strijdende personenEr stond een schare supporters voor de deur.
- (religie) verzameling van mensen die ergens tegenwoordig zijn, in het bijzonder bij een godsdienstoefening
Etymologie
*(erfwoord): Middelnederlands scāre ‘afdeling soldaten, troep, schaar’, uit Oudnederlands skara ‘legereenheid, groep’, ontwikkeld uit Oergermaans *skarō- ‘afdeling van een leger’, afleiding van het werkwoord *skeran- ‘scheiden, verdelen’, waarvoor zie scheren. Evenals Duits Schar en Fries skare.
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek