schaar
mannelijk/vrouwelijk (de)/sxar/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (gereedschap) knipwerktuig waarbij een tweetal langs elkaar snijdende messen een rechte of strakke snede maaktMet mijn kleine Swiss Army schaartje knipte ik het zo kort als ik kon, in de hoop dat ik het voortaan minder heet zou hebben.
- (landbouw) (gereedschap) ploegschaar
- paarsgewijs voorkomend grijporgaan, gedragen aan het uiteinde van de voorpoten van sommige schaaldieren (kreeften en krabben) en spinachtigen (schorpioenen)
- menigte, schare
- (Noord-Nederlands) maatstaf voor het aandeel in gemeenschappelijke grond, uitgedrukt als het stuk grond nodig voor het voedsel van een volwassen dier
- (Gelderland, Limburg, Noord-Brabant) gewas, opbrengst van de oogst
- (waterbeheer) getijgeul, wordt meestal gebruikt in de vorm ebschaar en vloedschaar van Veen, Johan (1950).[http://resolver.tudelft.nl/uuid:895bcd43-e48e-4a3d-8ba4-8518f6441960 Eb- en vloedschaar systemen in de Nederlandse getijdewateren]. Tijdschrift Kon. Ned. Aardrijkskundig Genootschap 67: 303-325.
Etymologie
** (erfwoord): Middelnederlands scāre ‘gewas, oogst, opbrengst’, ontwikkeld uit Oergermaans *skarō-, afleiding uit de wortel van *skēran- ‘scheiden, verdelen’, waarvoor zie scheren. Evenals Fries skar, sker ‘deel in de gemene wei; zomerweide voor vee, hoeveelheid mest van een koe gedurende de winterstaltijd’ en Engels share ‘(aan)deel’.
Vertalingen
Engelsscissors, pincer, chela
Fransciseaux, pince
DuitsSchere, Schere
Spaanstijeras, pinza, tenaza
Italiaansforbici, chela
Portugeestesouras
Russischножницы, клешня
Chinees剪刀, 剪子, 剪刀
Japans鋏, はさみ, 鋏
Koreaans가위
Arabischمقصّ
Turksmakas, kıskaç
Poolsnożyczki, szczypce
Zweedssax
Deenssaks
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek