schap

onzijdig (het)/sxɑp/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een plank om iets op te zetten
    Met mijn boodschappenlijst voor de komende maand in de aanslag stortte ik me op de schappen en na anderhalf uur duwde ik twee volle winkelwagens de supermarkt uit richting het postkantoor.
    In veel winkels zijn ondertussen lege schappen te vinden. Vooral versproducten als zuivel, vlees, fruit en eieren zijn nog moeilijk te krijgen. Dat komt enerzijds doordat de blokkades het onmogelijk maken om de producten aan te vullen en anderzijds doordat de producten die nog beschikbaar zijn bederven en dus weggegooid moeten worden.

Etymologie

* In de betekenis van ‘plank’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1433

Vertalingen

Engelsshelf
Fransrayon, étagère, rayonnage
DuitsSchrankfach, Brett, Einlegeboden
Spaansanaquel, estante
Italiaansscaffale
Portugeesprateleira
Russischполка
Chinees架子
Japans
Koreaans선반
Arabischرف
Turksraf
Poolspółka
Zweedshylla
Deenshylde