rubber

/ˈrʏbər/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. uit het sap van de rubberboom vervaardigd elastisch materiaal
    In 2015 leek er een nieuwe Europese norm voor kankerverwekkende stoffen in rubber te komen, maar dankzij een succesvolle lobby van de branchevereniging van bandenfabrikanten valt rubber tot minstens 2017 niet onder die norm. [http://www.nu.nl/gezondheid/4331545/kunstgrasvelden-mogelijk-gevaarlijk-gezondheid.html www.nu.nl]
  2. materiaalkunde (materiaalkunde) klasse gecrosslinkte polymere materialen boven hun glaspunt
  3. voorwerp dat uit rubber of een ander elastisch materiaal is gemaakt (vaak als verkleinwoord)
  4. voorbehoedmiddel in de vorm van een elastische huls om de penis

Etymologie

*van "rubber", in de betekenis van ‘caoutchouc’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1903

Vertalingen

Engelsrubber
Franscaoutchouc, capote
DuitsGummi
Spaanscaucho, goma, hule
Italiaansgomma
Portugeesborracha
Russischрезина
Chinees橡胶, 橡皮, 橡皮擦子
Japansゴム
Koreaans고무
Arabischمطاط
Zweedsgummi