rouwtijd

mannelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. periode dat men rouwkleding draagt; tijd dat men in de rouw is
    Na de huwelijksplechtigheid kunt u naar Parijs terugkeren, meneer, terwijl uw echtgenote de rouwtijd in gezelschap van haar stiefmoeder zal doorbrengen.
    Zij stond op en zei: 'Sire, zou het uwe Majesteit behagen de kapitein-generaal en zijn vrienden uit te nodigen voor een bal? De rouwtijd duurt nu al zo lang en het zou het hof ten goede komen als de vroegere blijmoedigheid mocht terugkeren.