roffelaar

mannelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. iets of iemand die een trommelend geluid maakt
    Wat een goed idee om alle zangvogels uit de ‘Vogel Top 100’ van het VARA-programma Vroege Vogels op een dubbel-cd uit te brengen. Deze hitparade van de beste Nederlandse fluiters, trillers, zangers en roffelaars is verzameld door natuurgeluidenjager Henk Meeuwsen. Vernieuwend is het allemaal niet, maar klassiekers als de veldleeuwerik en de tuinfluiter zijn natuurlijk onverwoestbaar. Zij staan naast minder bekende vocalisten als de barmsijs, de snor en de smient. NRC Toon Beemsterboer 13 april 2010 [https://www.nrc.nl/nieuws/2010/04/13/voor-de-vogelliefhebber-de-beste-nederlandse-fluiters-11875887-a389688 Voor de vogelliefhebber: de beste Nederlandse fluiters]
    Maar het gaat er niet om wie van de twee de beste roffelaar is. Het gaat erom wat er is gebeurd met die vriendenband die ooit de pizzakoerier aannam als drummer en hem nu de zak geeft zodra hij vraagt waar het weggesluisd superdividend is gebleven. Is het echt zo erg? NRC 6 juni 2013 [https://www.nrc.nl/nieuws/2013/06/06/geachte-heer-king-beste-kerry-12666407-a773949 Geachte heer King, Beste Kerry,]
  2. kletskous, babbelaar
  3. beunhaas, knoeier

Etymologie

* van roffelen