roesten

/ˈrustə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. het langzaam oxideren van ijzerhoudende materialen
    Auto's roesten snel als zij aan wegenzout worden blootgesteld.
  2. door roest vast gaan zitten
    "Het zal me aan mijn reet roesten!" zei de eigenaar van het pand.
  3. (kippen) op stok zitten
    De kippen waren rustig aan het roesten.
  4. biologie (biologie) het in groepen doorbrengen van de nacht van vliegend wild
    Die kauwen roesten altijd in de bomen achter het huis.
zelfstandig naamwoord
  1. steeltjeszwammen (steeltjeszwammen) een klasse binnen het rijk van de schimmels (), behorend tot de stam van . Roesten veroorzaken ziekten bij planten. De schimmels tasten het blad aan. Ze komen onder andere voor op granen, gras en prei. In Nederland komen ongeveer 200 roestschimmels voor. De levenscyclus bestaat uit vijf stadia, die op twee verschillende waardplanten doorlopen worden

Etymologie

*Afgeleid van roest.

Vertalingen

Engelsrust, rust, roost
Fransrouiller, s'incruster, percher
Duitsverrosten, rosten, einrosten
Spaansoxidarse, incrustarse, posarse