roes

mannelijk (de)/rus/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een lichte bedwelming door sterke drank, drugs, opwinding, enzovoort
    Hij was helemaal in een roes door de overwinning.
    De laatste zware klim over Kearsarge Pass, gevolgd door een eindeloos steile afdaling het woestijndal in, gleed in een roes voorbij.

Etymologie

* Leenwoord uit het Nederduits, in de betekenis van ‘bedwelming’ aangetroffen vanaf 1622

Vertalingen

Engelsintoxication
Fransenivrement
DuitsRausch, Taumel
Spaansborrachera, embriaguez
Zweedsrus