rijzweep

mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈrɛizwep/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. korte zweep die een ruiter gebruikt bij het paardrijden
    De jonge vrouw op het paard, rijzweep in de hand, zou wel eens 'op bed gesmeten willen worden'. Haar vriend is meer het type 'is de afstandsbediening nou alweer kwijt?' Een andere man wordt gefilmd als hij de vaatwasmachine staat te vullen. Hij zegt dat zijn seksleven wel 'een goede beurt' kan gebruiken. Het Parool Han Lips4 november 2014 [https://www.parool.nl/columns-opinie/de-beste-seksuologe-van-de-benelux-geeft-seksles-op-rtl-5~b90b5249/ 'De beste seksuologe van de Benelux' geeft seksles op RTL 5]
    Plotseling stopte het voertuig en liep de 79-jarige man op het groepje af en pakt één van de meisjes bij de enkel. Die was daar niet van gediend en reageerde met een slag met haar rijzweep. Ondertussen was de 45-jarige bestuurder ook uitgestapt om te melden dat de groep niet zo mocht rijden. Reformatorisch Dagblad 16-03-2009 [https://www.rd.nl/vandaag/binnenland/mannen-zoeken-ruzie-met-paardrijdsters-1.1259290 Mannen zoeken ruzie met paardrijdsters]

Vertalingen

Engelsriding-whip