rijzen

/ˈrɛizə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. erga (erga) opstijgen, opgaan
    Japan is het land van de rijzende zon.
  2. erga, kookkunst (erga) (kookkunst) (van brood of beslag) uitzetten en luchtig worden
    Het deeg is nog niet voldoende gerezen.
  3. erga (erga) naar voren komen, zich aandienen
    Er rijst een vraag.
    Er zijn dienaangaande enige bezwaren gerezen.
  4. erga (erga) loslaten en afvallen van een aantal zeer kleine gedeelten
    De naalden rijzen van de dennenboom.

Etymologie

* van Middelnederlands "risen", in de betekenis van ‘zich oprichten’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1285

Uitdrukkingen

  • overeind rijzen

Vertalingen

Engelsrise, rise
Duitsaufgehen
Spaansascender, subir, levar