rijp

mannelijk (de)/rɛip/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. meteorologie (meteorologie) (Nederlands-Nederlands) rijm, aangevroren dauw of mist
zelfstandig naamwoord
  1. (Noordoost-Nederlands) stenen voetpad
  2. verouderd (verouderd) oever, waterkant, rand
werkwoord
  1. de eetbare toestand bereikt hebbend
    Alleen de rijpe vruchten zijn lekker.
  2. figuurlijk (figuurlijk) tot volwassenheid gekomen zijnde
    Hij is rijp voor de tien kilometer.

Etymologie

* bn: (erfwoord): Vanaf 1100 overgeleverd; Oudnederlands rīp, ontwikkeld uit Oergermaans *rīpiz ‘geschikt om geplukt te worden’, een vṛddhi-afleiding van *rīpan- ‘oogsten, plukken’ (waaruit Oudengels rīpan ‘oogsten’, Noors ripa ‘ritsen’, (dial.) ‘afrukken, afplukken’), bij Indo-Europees *h₁reip- ‘scheuren’, waartoe ook Middeliers répaid ‘hij rukt, scheurt stuk’, Oudgrieks ereípein ‘doen neerstorten, openscheuren’ en Russisch dial. repnutʹ ‘barsten’ behoren. Evenals Nederduits riep, Duits reif en Fries ryp.

Vertalingen

Engelshoarfrost, ripe
Fransgelée blanche, mûr
DuitsRaureif, reif
Spaanshelada blanca, maduro
Italiaansbrina, calaverna, maturo
Portugeesmaduro
Russischзрелый
Chinees熟的
Japans霜, 熟した
Koreaans익은
Arabischناضج
Poolsszron, geada branca
Zweedsrimfrost, mogen
Deensrim