rijm
mannelijk (de)/rɛim/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (meteorologie) (Belgisch-Nederlands) rijp, aangevroren dauw of mist
zelfstandig naamwoord
- (dichtkunst) een vers waarvan een regel eindigt in een woord dat klankverwantschap vertoont met het einde van een andere regel
Etymologie
* znw2: In de betekenis van ‘gelijke klank’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1240. Middelnederlands rīme (f), rijm (f)/(m) ‘rijmregel, versregel, gedicht, dichtmaat, rijm’, ontleend aan Oudfrans rime ‘versregel’, zelf ontleend aan Oudfrankisch rīma- ‘reeks, aantal’.
Vertalingen
Engelshoarfrost, rhyme
Fransgelée blanche, rime
DuitsRaureif, Reim
Spaanshelada blanca, rima
Italiaansbrina, calaverna, rima
Russischрифма
Japans霜
Poolsszron, geada branca, rym
Zweedsrimfrost, rim
Deensrim, rim
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek