rijmen
/ˈrɛɪmə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (inerg) (van woorden of regels) een opvallende herhaling van klanken laten horenHoe gedichten moeten rijmen is van taal en tijdperk afhanelijk.
- (inerg) (in het Nederlands) vanaf de laatste beklemtoonde lettergreep hetzelfde klinken"Hinderen" rijmt wel op "kinderen", maar niet op "blinderen".
- (inerg) woorden of regels zo op elkaar laten volgen dat er een opvallende herhaling van klanken ontstaatDoor in deze regels niet te rijmen, drukt de dichter verwarring uit.
- (inerg) dichten, verzen makenDoordat ze veel leest, kan ze goed rijmen.
- (figuurlijk) (erga) in overeenstemming zijn (gebruikt in ontkennende zin)Zijn dure auto is niet te rijmen met zijn lage inkomen.
- (ov) woorden of regels zo kiezen dat ze vanaf de laatste beklemtoonde lettergreep hetzelfde klinkenHij maakt graag verzen, en op feestjes rijmt hij op elke vraag van de gasten een grappig antwoord.
- (ov) maken van een versZij rijmde een afscheidslied voor haar collega.
Etymologie
*van Middelnederlands rimen "rijmen"
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek